Oorsprong van de wijnbouw

Kaukasus oorsprong wijnbouw

Kaukakus

De oorsprong van de wijnbouw ligt in de Kaukasus. Van hieruit heeft de wilde wijnstok Vitis Vinifera zich verder verspreid. In Mesopotamië, het huidige Iran en Irak, zijn bij archeologische opgravingen kruiken van 7000 jaar geleden aangetroffen met sporen van wijn.

Wijn werd daar verbouwd in het vruchtbare tweestromenland van de Eufraat en de Tigris. Door handel met Libanon en Palestina verspreidde de kennis van de wijnbouw zich. Er was in die tijd al een levendige handel met landen van de Levant, het oostelijk en zuidelijk deel van de Middellandse Zee.

 

Egyptenaren

Zodoende kwam deze in het oude Egypte terecht. Al vanaf 3000 v.Chr. zijn er vele afbeeldingen en wijnsporen van Egyptische wijnbouw nagelaten. Wijn speelde een belangrijke rol in het ceremoniële leven van het oude Egypte.

 

Eén van de eerste heersers, Farao Serket, werd rond 3150 voor Christus met 700 amfora’s wijn als grafgeschenk bijgezet. Ook Toetanchamon liet voor zijn persoonlijke gezondheid een aantal amfora’s met wijn bijzetten.

 

Op de zesentwintig exemplaren die hiervan overgebleven zijn, staat precies het wijngoed, perceel, herkomst als wel de wijnmaker opgetekend. Zo staat te lezen op kruik 571 de inscriptie: Zoete wijn van het huis Aton uit Karet, keldermeester Ramose.

 

Oorsprong-wijnbouw-Feniciers-zeevaarders

De zeevaarders uit Finicië

De Feniciërs, die in het noorden van Kanaän leefden, waren de belangrijkste en meest succesvolle zeevaarders en handelaars van de Middellandse zee. Zij stichtten overal koloniën om zo de handel over zee in stand houden.

 

Het waren de Feniciërs die de kennis van de wijnbouw vanuit Egypte overbrachten naar onder andere Kreta. Op Kreta zijn amforen en een wijnpers gevonden die dateren van 1500 jaar voor onze jaartelling. Amforen waren kruiken in aardewerk die gebruikt werden om graan of vloeistoffen in te bewaren.

 

Omdat een amfora te poreus was om wijn in te bewaren werd er hars aan de wijn toegevoegd. Omdat hars de houdbaarheid van wijn kennelijk verbeterde, bleven de Griekse wijnbouwers hars aan hun wijnen toevoegen: de Retsina was de meest bekende Griekse wijn en wordt nog altijd gemaakt.

 

De oude Grieken

De Grieken hebben echt werk gemaakt van de wijnbouw; zij plantten op de vele eilanden druivenstokken. Heel vaak waren dit Muscatdruiven die we nu nog op zeer veel plaatsen in Griekenland aantreffen. In die tijd was Zuid-Italië een kolonie van de Grieken.

 

De Grieken noemden het zuiden van Italië Oenotrea, niet zonder reden want de wijnbouw was hier zeer succesvol. De Grieken plantten hier veelvuldig wijngaarden aan en de wijnen afkomstig van Oenotrea vonden gretig aftrek in het gehele Middellandse Zeegebied.

 

De wijnen waren zo succesvol dat zij een regelrechte concurrent werden van de eigen Griekse wijnbouw. Er werden regels opgesteld ten faveure van de eigen Griekse wijnen. De Etrusken, gelieerd aan de Romeinen, bevolkten delen van Italië zoals Toscane, Umbrië en ook Latium. Zij hadden de beschikking over zeer vruchtbare gronden en waren dan ook zeer succesvol in de landbouw. Zij breidden hun macht verder uit richting het zuiden van Italië.

 

Etrusken-wijnbouw

Wijnbouw verder ontwikkeld door Etrusken

De wijnbouw werd door de Etrusken verder geperfectioneerd, niet in de laatste plaats door hun kennis van irrigeren. De Etrusken waren het eerste volk in Italië dat steden stichtte of bestaande nederzettingen zoals Rome samenvoegde tot een stad. De Etrusken waren, naast de Feniciërs en de Grieken, zeer machtig op zee.

 

Ook de Etrusken dreven de nodige handel met bijvoorbeeld het zuiden van Italië, Sicilië en Carthago. Maar ook Ligurië, het zuiden van Gallië en Spanje werden door de Etrusken bezocht. De ruilhandel tussen Etrurië en het zuiden van Frankrijk werd onderhouden vanaf het einde van de 7e eeuw v.Chr. Zo werd er bijvoorbeeld tin ingeladen dat via de Rhônevallei vanuit Cornwall aangeleverd werd. In ruil daarvoor werd er wijn uit Cerveteri gebracht.

 

Wijnbouw-Romeinen

Romeinse Rijk

De Romeinen kregen in 280 v Chr. definitief de macht in handen door de laatste Etruskische steden te veroveren. Rome werd een belangrijk centrum voor de invoer en het verbruik van wijn. In het gehele Rijk werden dagelijks tienduizenden liters wijn verkocht. Vooral het gebied van Campania was toen bij uitstek het middelpunt van de wijnhandel.

 

De kwaliteit van de wijn was destijds uiteraard anders. De wijnen bij de Romeinen waren geen topwijnen ook al werd dat door dichters anders verwoord. De manier waarop de wijnen werden bewaard was meestal een kwestie van toeval.

 

Wijn die direct voor de consumptie was bestemd,werd ter plekke in open kruiken van aardewerk gedaan. Aan wijn die vervoerd moest worden werd honing toegevoegd. Een andere wijze om wijn te bewaren was door de wijn te verhitten. Minstens een derde deel van de wijn liet men verdampen, zodat er een soort gecondenseerde wijn overbleef.

 

De Romeinen bewaarden hun wijnen niet in kelders, in tegendeel, zij bewaarden de wijn zelfs op zolders of boven keukens waar nog meer resterend vocht kon verdampen. Waarschijnlijk werd de wijn voor hij gedronken werd weer met water aangelengd. Pas later kwamen geurige wijnen in de belangstelling.

 

Om de smaken te veredelen of te versterken werden aan de wijnen stoffen toegevoegd zoals mirte, wierook, anijszaad, peper en vanille. Wij kunnen er bijna zeker van zijn dat de Oudheid geen hele grote wijnen heeft opgeleverd.

 

Verval-Romeinse-Rijk

Ineenstorting Romeinse rijk

De Romeinen hebben de wijnbouw verder noordwaarts gebracht. Allereerst via de Rhône richting Bourgogne en via de Rijn naar Duitsland en ook het zuiden van Nederland. De wijnbouw kende onder de Romeinen een periode van grote bloei, echter in de vijfde eeuw na Christus stortte het Romeinse Rijk ineen en de meeste wijngaarden werden vernietigd door Germanen en Moren.

 

In de vroege Middeleeuwen begon het verval van de wijngaarden zich af te tekenen en dit viel samen met de achteruitgang van de landen rond de Middellandse Zee en de invasies van de Saracenen. Doordat de Mohammedaanse godsdienst het gebruik van wijn verbood werd de vraag ernaar snel minder.

 

Vele wijngaarden werden verwaarloosd. Slechts enkele bleven bestaan en de opbrengst werd drastisch minder. In andere landen was de situatie niet veel beter,het voedsel was schaars en de luxe om wijn te kopen en te drinken kon men zich niet veroorloven.

 

Monniken-en-wijnbouw

Wijnbouw monnikenwerk

Gelet op de omstandigheden in de Vroege Middeleeuwen is het dan ook alleen aan de Kerk te danken dat de wijnbouw niet verloren is gegaan. De monniken bleven druiven telen en zorgden tevens voor een verdere uitbreiding en verbreiding van de wijnbouw in de noordelijke landen zoals Duitsland, Nederland en Engeland.

 

Daardoor vond de handel in wijn met de verbreiding van het Christendom nieuwe afzetgebieden in het noorden. Omdat de planten aangepast moesten worden aan andere klimatologische omstandigheden, namelijk aan een middelzacht klimaat, moest er veel zorg worden besteed aan het uitkiezen van de wijnstokken van goede kwaliteit.

 

Vanaf de 11e eeuw kwam de wijnbouw weer tot bloei in het noorden door de inzet van de monniken in de kloosters. Met name de grote kloosterorden van de Benedictijnen en die van de Cisterciënzers legden veel bedrijvigheid aan de dag om op hun grondgebied wijngaarden aan te leggen.

 

Minutieus werd bodemkwaliteit en bodemstructuur vastgelegd om zo te kunnen bepalen waar de beste wijngaarden aangeplant kon worden. Wijnstreken als Bourgogne en ook de Elzas zijn een direct gevolg van dit grondige werk door de monniken verricht. Maar niet alleen in Frankrijk was de kerk actief in de wijnbouw. Ook in Spanje, Italië en delen van de Balkan speelde de katholieke kerk een grote rol.

 

Nieuwe Wereld

Nieuwe en zeer grote ontwikkelingen komen tot stand in de loop van de 17e eeuw. Het is de periode van de grote ontdekkingsreizen en het zijn met name de Spanjaarden en de Portugezen die wijnbouw introduceren in Latijns Amerika.

 

Druk doende om het Amerikaanse continent te doen bekeren naar het katholicisme is er veel wijn nodig ten behoeven van de mis. Hiertoe brengen Conquistadores druivenstokken en wijnkennis naar de nieuw verworven koloniën.

 

Wijnbouw in dit deel van de wereld blijft lang achter in kwaliteit niet in de laatste plaats door de politieke instabiele perioden die het continent lange tijd teisteren. Pas eind jaren 80 van de 20e eeuw krijgen de wijnen uit met name Chili en Argentinië enige importantie.

 

Nieuwe-wereld-wijnbouw

Gouden Eeuw

De 17e eeuw is ook de Gouden Eeuw voor landen als Holland en Engeland. Beide landen zijn in die tijd grote mogendheden en zijn internationaal zeer actief. Wijnen werden wel vervoerd maar bleven niet lang goed en dus konden zij niet over lange afstanden vervoerd worden.

 

De Hollanders kochten veel brandewijn. Deze drank kon over lange afstanden niet bederven en werd in Frankrijk gekocht. Voornamelijk Cognac uit de Charentes. Om aan de grote vraag van de Hollanders te voldoen werden er in Zuidwest-Frankrijk weer wijnstokken aangeplant.

 

In deze streek werden de volle, krachtige wijnen geproduceerd, die vanuit Bordeaux verzonden werden. Door de plaats aan de kust waar deze stad ligt, werd deze een hoofdader voor de wijnbouw en wijnhandel.

 

Van hieruit heeft Bordeaux haar naam als een van de belangrijkste wijnsteden van de wereld zich toen gevestigd. Zelfs toen de Hollanders oorlog voerden met Frankrijk en zij hun wijn haalden in Spanje en Portugal en de Engelsen hun Sherry en Port ook vandaar betrokken, kon Bordeaux dit niet stuk krijgen.

 

In de 18e eeuw had de aristocratie een uiterst verfijnde smaak. De smaak was tot ontwikkeling gekomen en in samenwerking met Britse handelaren stelden de notabelen uit Bordeaux de eerste werkelijke rangorde van de verfijnde wijnen uit de afgebakende grondgebieden op. Deze wijnen werden in vaten geproduceerd en in flessen bewaard. In die tijd werd ook voor het eerst zwavel gebruikt om de wijn te steriliseren en eiwit om hem te klaren. De traditie van de kwaliteit was geboren en de actieve deelname van Britse kooplieden maakte het mogelijk die verder te ontwikkelen.

 

Kurk en druifluis

Tot in de 17e eeuw werd hoofdzakelijk jonge wijn gedronken. Door het gebruik van kurk werd het daarna mogelijk wijn langer in flessen te bewaren. In de periode vanaf 1864 werden duizenden hectare wijngaarden in Frankrijk vernield door de druifluis Phylloxera vastatrix. Het onderzoek van Pasteur naar de oorzaken van ziekten van wijn en de methode om wijn te bewaren legde de grondslag voor de oenologie.

 

De Franse wijnbouw werd gered door Europese druivensoorten te enten op Amerikaanse stammen die resistent waren voor de vraatzucht van de druifluis. De Amerikaanse variant bleek namelijk in staat om opnieuw wortelpunten aan te groeien. Tegenwoordig staan bijna alle druivenstokken op Amerikaanse onderstammen.