Wijngaard & Bodem

Bodem en wijngaardDe bodem en de kwaliteit daarvan is van wezenlijk belang voor wijnbouw. Eigenschappen van de bodem worden direct doorgegeven aan de wijnstok en dus ook aan de uiteindelijke wijn.

 

Er zijn onnoemlijk veel bodemsoorten te onderscheiden en ieder druivenras vraagt weer om een ander type bodem.

 

Wijngaard en Bodem

Waterdoorlatend en arm aan voedingsstoffen

Bij wijnbouw zijn er twee essentiële criteria waaraan de bodem moet voldoen: de bodem moet goed waterdoorlatend en arm aan voedingsstoffen zijn.

 

Dit laatste klinkt onlogisch maar er geldt niet voor niets het gezegde: “de druivenplant moet werken voor haar voedingsstoffen”.

 

Een te rijke bodem maakt de druivenstok lui en de uiteindelijke wijnen zullen laf en nietszeggend zijn.
Wat is nu precies ‘de bodem’? De bodem is de werkbare grond waarin gewassen kunnen wortelen. Bodems zijn zelden meer dan één of twee meter diep. Het is de omgeving waar plantenen andere levende organismen zoals bacteriën en insecten leven.

 

Bodems bevatten overblijfselen van wortels en planten, kleine diersoorten, lucht, water, organisch materiaal en mineralen. Een bodem is een dynamische omgeving. Er is een voortdurende wisselwerking tussen de aanwezige stoffen en de atmosfeer, waterstromen en aanwezige flora en fauna.

 

Bodems bestaan verder uit materiaal dat uit zand, klei en leem bestaat. Ook kunnen er kiezels en stenen aanwezig zijn of diverse gesteentesoorten, zoals kalksteen of vuursteen. In droge gebieden wordt ook natriumchloride of calciumsulfaat aangetroffen.

 

Achterblijvend- en getransporteerd materiaal

Bodems worden gevormd uit twee soorten materiaal, namelijk achterblijvend- en getransporteerd materiaal.

 

Achterblijvend materiaal is materiaal wat van nature ter plaatse voorkomt. Afkomstig van de ondergrond (de moederrots) duurt het zeer lang om dit materiaal te doen omzetten: in 10 jaar tijd wordt minder dan 1 mm omgezet. Bodems gevormd door achterblijvend materiaal zijn nauwelijks diep.

 

Diepere bodems vinden we in vlak hoogland met weinig erosie. Getransporteerd materiaal komt van geërodeerde bodems die elders gevormd zijn. Het materiaal wordt in een gebied aangevoerd door water, wind of zwaartekracht. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Sallandse Heuvelrug, welke door gletsjers miljoenen jaren geleden is aangevoerd. Bekend voorbeeld in Frankrijk zijn bijvoorbeeld de “palusgronden” in de Bordeauxstreek. Het materiaal wordt daar aangevoerd door de rivier de Gironde.

 

Bodems waarin wijnbouw plaatsvindt, zijn doorgaans arm, weinig diep en redelijk goed waterdoorlatend. Dit zijn ideale omstandigheden waarbij kwaliteitsdruiven worden geproduceerd met lage rendementen. In diepe, vruchtbare bodems in vlakten of bij rivieren loopt de kwaliteit van de druiven meestal terug, terwijl het rendement stijgt. De diepte, de textuur, de structuur en de scheikundige samenstelling van de bodem hebben direct invloed op de ontwikkeling van het wortelsysteem.

 

Daarmee hebben ze ook directe invloed op de krachten en de productiviteit van de wijnrank. Bodems met weinig diepte, weinig vruchtbaarheid en waarvan de waterhuishouding een beperkende factor is, zorgen voor een beperkte groeikracht van de wijnrank. De groei van bladeren en takken stopt hierdoor vroeg waardoor de rijping van de druiven optimaal verloopt.

 

Wijngaard en BodemDiepe en vruchtbare bodems met volop water leiden tot het tegenovergestelde; veel groei dus lange en dikke takken, een hoge productiviteit en een late en vaak onvolledige rijping van de druiven. Dit heeft meestal een hoog zuurgehalte tot gevolg.

 

De diepte van de bodem bepaalt de mate waarin de wortels deze kunnen koloniseren; een diepe toegankelijke bodem die veel voedingsstoffen en  water bevat, is geschikt voor massaproductie met een gewone of lage kwaliteit. Arme minder diepe bodems met een beperkte hoeveelheid water leveren in het algemeen een lage, maar kwalitatief hoge productie op. In de meeste gevallen is de bodemlaag waarin wortels doordringen, begrensd door een ondoordringbare onderliggende laag, zoals rotsgesteente, ijzerhoudend zandsteen of compact kalkgesteente.

 

Hoewel de kwaliteit van de druiven niet door de textuur van de bodem wordt bepaald, zijn er toch bepaalde invloeden aan te geven. Zo zorgen kiezels en zand voor een doorlaatbare bodem. Daardoor verdwijnt overvloedig water gemakkelijk. Een dergelijke bodem verwarmt zich snel en zorgt daardoor voor een goede, vroegtijdige rijping van de druif. Over het algemeen lenen kiezelbodems al dan niet met veel zand zich goed voor de productie van kwaliteitswijnen, zowel witte als rode wijnen.

 

Kleibodems zijn kouder en drogen niet gemakkelijk uit; ze geven zowel rode als witte wijnen structuur, soms wat hardheid en vaak een langere houdbaarheid.

 

Scheikundige analyse

De scheikundige analyse van diverse bodems toont grote verschillen in samenstelling aan. Dat geldt voor de zuurgraad en de gehaltes aan organisch materiaal en mineralen zoals kalium, calcium, magnesium en dergelijke.

 

Een overmaat aan elementen die de druif kan opnemen, leidt tot een hoog rendement, een grote groeikracht en over het algemeen lage kwaliteit. Verder heeft de scheikundige samenstelling nauwelijks invloed op de kwaliteit van de wijn. In zoverre dat een overmaat aan elementen niet leidt tot overproductie of, tegenovergesteld, dat een tekort aan mineralen de groei niet stopzet.

 

Men produceert kwaliteitswijn zowel op zure, neutrale of alkalische bodems als bij uiteenlopende scheikundige samenstellingen. Op grond van de hoeveelheden van deze bestanddelen is een bodem te karakteriseren.